| | | | | | | |

Een onvoltooid project

Waarom onze nieuwe steden nog steeds niet ‘af’ zijn en wat de volgende stap moet zijn

~ Michelle Provoost

Wie aan de Nederlandse steden denkt, denkt allereerst aan de bekende historische steden in de Randstad, daarna misschien nog aan Groningen, Zwolle of Maastricht, maar niet veel mensen zullen de ‘Groeikernen’ of ‘Overloopsteden’ als echte steden beschouwen.
Het zijn ook geen steden waar je als buitenstaander vaak zult komen. Wie gaat er wel eens kijken in Spijkenisse, Duiven-Westervoort, een dagje uit in Capelle, Zoetermeer, Haarlemmermeer, Houten, of bezienswaardigheden bekijken in Nieuwegein, Almere, Lelystad of Purmerend? Niet veel mensen schat ik zo. Ikzelf ben daarop een uitzondering, maar dat komt omdat ik beroepshalve, als architectuurhistoricus en directeur van het International New Town Institute (INTI), geïnteresseerd ben in deze New Towns. En ik kom er graag! Er valt heel wat te ontdekken in deze veronachtzaamde en versmade stadjes.

Nieuwegein
Nieuwegein. Foto: INTI
Spijkenisse. Foto: INTI
Spijkenisse. Foto: INTI
Capelle aan den IJssel. Foto: INTI
Capelle aan den IJssel. Foto: INTI

Nederland heeft in vergelijking met bijvoorbeeld Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk een uniek stedelijk patroon. Er is niet één stad die alle andere overheerst in grootte, belang of aanzien, maar er is een historisch gegroeid netwerk van steden van verschillende grootte en karakter. De Groeikernen zijn de laatste lootjes aan die stam. Ze zijn pas een halve eeuw oud en vormden in de jaren zeventig het antwoord op de toenmalige enorme woningnood van 1.000.000 woningen. Tegenwoordig wonen er meer dan 1.5 miljoen mensen in de Groeikernen, oftewel bijna 10% van de Nederlandse bevolking! [1]

Groeikernen

Anno 2022 is er opnieuw woningnood en een tekort aan betaalbare woningen. Waar kunnen die gebouwd worden? Om redenen van duurzaamheid - zo vindt een belangrijk deel van de vakwereld, de wetenschap en de overheid – zouden de woningen vooral in de bestaande steden moeten worden gerealiseerd. Maar: in wélke? Hebben we het alleen over de vijf grote steden of ook over de Groeikernen?

Er is alle reden om opnieuw naar de Groeikernen te kijken. Ze werden ooit met veel animo en ambitie gebouwd, vol met eengezinswoningen in het groen, ruimte voor kinderen om te spelen, dicht bij de grote stad en het werk, ideale plekken voor een individualistische, suburbane leefstijl. De Groeikernen beleefden in de jaren zeventig een korte periode van populariteit voordat ze om allerlei redenen (waarover later meer) in ongenade vielen en er niet meer naar omgekeken werd. Bekend is het gezegde: in Almere wil je nog niet dood gevonden worden. Deze mening heeft stevig postgevat in de populaire opinie en geldt ook voor de andere Groeikernen. Ze zijn onvoltooid gebleven en hebben hun oorspronkelijke ambities niet echt waargemaakt. Maar inmiddels hebben de Groeikernen aandacht en vernieuwing nodig. Kan dat op zo’n manier dat het bijdraagt aan het oplossen van de huidige woningnood terwijl tegelijk de aantrekkelijkheid en de stedelijkheid van die stadjes verbetert?

In de hevige discussie over de woningnood die momenteel gevoerd wordt, gaat het vaak over de plek waar gebouwd kan worden. Daarin lijkt de keus beperkt tot verdichting van de grote steden of bouwen in het weiland. Aan de potenties van de Groeikernen wordt vaak voorbij gekeken. Deze steden hebben een reeds aanwezige stedenbouwkundige structuur, voorzieningen en een community waarop voortgebouwd kan worden. Ze zijn gunstig gelegen in de ruimtelijke structuur van met name de Randstad en zijn goed verbonden met snelwegen, trein en tramlijnen. Ze bezitten de potentie om als volwaardige onderdelen van het stedelijke netwerk mee te doen en een rol te spelen in het lenigen van de woningnood.

Aan de potenties van de Groeikernen wordt vaak voorbij gekeken. Deze steden hebben een reeds aanwezige stedenbouwkundige structuur, voorzieningen en een community waarop voortgebouwd kan worden.

De woningnood is politiek en persoonlijk

Wonen is een recht dat is vastgelegd in onze Grondwet, maar toch is het niet altijd makkelijk om aan een huis te komen. In grote delen van de twintigste eeuw heeft er in Nederland een vorm van woningnood bestaan, van een tekort aan alle soorten woningen tot een tekort voor een specifieke groep op een specifieke plek. Steeds ontstond het tekort door een verschillende reden: economische crisis, oorlog, plotselinge snelle bevolkingsgroei. Misschien lijken die trends en tekorten een natuurlijk fenomeen, maar dat zijn ze niet: ze zijn verbonden met de keuzes die in Den Haag worden gemaakt.

Een kort persoonlijk intermezzo: ik realiseerde me bij het schrijven van dit essay hoe ook de woongeschiedenis van mijn familie verbonden is met de achtereenvolgende ‘trends’ en ontwikkelingen in de woningbouw en politiek. Onze verhuizingen waren typisch voor veel gezinnen uit die tijd en weerspiegelden de maatschappelijke trends en beleidsvraagstukken: toen ik geboren werd, woonden mijn ouders, beiden musici, in bij een oudere dame, op een kleine zolder en met een gedeelde wc. Enkele jaren later verhuisden we naar een gloednieuwe modernistische galerijflat, naar een appartement op de zevende verdieping met aparte slaapkamers en een eigen badkamer. Al gauw sloeg de flatneurose toe, gevoed door de frustraties van mijn moeder die vaak met twee kinderen op de galerij stond te wachten op die ene lift die maar niet kwam. We verhuisden naar een boerderijtje op het platteland om het weiland rondom om te toveren in wilde natuur, geïnspireerd door Louis le Roy. Ik ging naar een houten, tijdelijk schoolgebouw in groeikern Duiven, waar overal hopen zand lagen en rondom de woningbouw uit de grond schoot. Wonen in zo’n burgerlijke nieuwbouwwijk, daarover piekerden mijn ouders niet. Ook daarin waren we waarschijnlijk een perfecte weergave van hoe de meer cultureel georiënteerde klasse naar de Groeikernen keek.
Toen mijn ouders kort daarna scheidden -ook daarin waren ze helaas prototypisch- verhuisde mijn moeder met ons naar een schattig oud huisje in de binnenstad, dichtbij scholen, winkels, theater en bioscopen. In de jaren zeventig waren de binnensteden vervallen en verloederd. Er was nog steeds een grote woningnood, maar er stond ook heel veel leeg. Begin jaren tachtig, toen ik uit huis ging, was de kraakbeweging op haar hoogtepunt en ging ik met vrienden in een kraakpand wonen. Tegenwoordig, veertig jaar later, is kraken bij de wet verboden en spendeert mijn zoon als jongvolwassene de helft van zijn inkomen aan zijn huisvesting. Er is grote behoefte aan daadkrachtig overheidsbeleid om in deze situatie verandering te maken, die voor honderdduizenden mensen, elke dag weer, zo nijpend is.

Affiche van de Pacifistisch Socialistische Partij uit 1971 en de omslag van het structuurplan Purmerend uit 1972.
Affiche van de Pacifistisch Socialistische Partij uit 1971 en de omslag van het structuurplan Purmerend uit 1972

Dorpjes worden stad

De Groeikernen zijn het product van overheidsbeleid dat vanaf het einde van de jaren zestig negentien dorpjes en kleine stadjes aanwees om de ‘overloop’ van een nabijgelegen grote stad onder te brengen. Dat beleid heette ‘gebundelde deconcentratie’. Zo groeiden de plaatsen Purmerend, Hoofddorp, Zoetermeer, Spijkenisse, Capelle aan den IJssel, Nieuwegein, Houten, Duiven-Westervoort en Helmond van dorpje of kleine stad tot middelgrote stad van tenminste 50.000 inwoners. Naast deze getransformeerde dorpen werden er nog twee volledig nieuwe steden in de polders gebouwd: Almere en Lelystad.

>> Verder lezen: De Nederlandse planningsdoctrine
"De Groeikernen worden geassocieerd met de jaren zeventig, bloemkoolwijken en het kabinet Den Uyl. Deze associaties zijn niet onjuist, maar de Groeikernen vormen ook het hoogtepunt van een zoektocht naar een ‘regelmatige’ en geordende verstedelijking die veel eerder begon."

Er zijn heel wat boeken geschreven over de kluwen aan redenen die leidde tot dit achteraf bezien stoutmoedige project. Centraal daarin is de consensus in de jaren zestig dat Nederland in alle opzichten enorm zou groeien en er een nationale ruimtelijke planning nodig was om de economische en maatschappelijke ontwikkeling in goede banen te leiden. Men was ervan overtuigd dat de bestaande steden te groot werden en dat decentralisatie van de bevolking beter was zodat grote-stads-problemen konden worden voorkomen. Bovendien speelde de angst dat zonder goede planning het gehele platteland en het groene Hart in de Randstad dicht zou slibben. Het concept van ‘gebundelde deconcentratie’ voorzag in een planningsdoctrine die aan al die ongewenste zaken het hoofd kon bieden: elke grote stad in het westen zou een overloopstad krijgen die het teveel aan bewoners zou opvangen.

Daarbij kwam dat de historische binnensteden en de 19de-eeuwse woonwijken in de grote steden erg verloederd waren geraakt. De Amsterdamse Kinkerbuurt, het Rotterdamse Oude Westen, de Haagse Schilderswijk: de woningen daar voldeden allang niet meer aan de naoorlogse normen. Ze raakten bovendien overbevolkt door de komst van de eerste generatie ‘gastarbeiders’ in de jaren zestig. Nieuwe steden boden aan veel gezinnen uit die wijken een goede woonplek en maakten het bovendien mogelijk dat de historische steden aan stadsvernieuwing konden beginnen.

Nederland was met dit beleid niet uitzonderlijk; dezelfde tendens zagen we gelijktijdig in de New Towns in Engeland, in Frankrijk waar de Villes Nouvelles werden gebouwd, en in vele andere Europese landen. Maar waar in deze landen de nieuwe steden optimistische uitzonderingen waren terwijl in de rest van de steden een grote mate van ongelijkheid bleef bestaan, waren de Groeikernen in Nederland onderdeel van een breed en inclusief overheidsbeleid; dat was gericht op het inrichten en besturen van Nederland eerst als een verzorgingsstaat en later -in de jaren zeventig- meer als een egalitaire consumptiemaatschappij.

Kubuswoningen Piet Blom, Helmond
Kubuswoningen Piet Blom, Helmond. Bron: commons.wikimedia.org
Houtskeletbouw woningen, Nieuwegein. Foto: INTI
Houtskeletbouw woningen, Nieuwegein. Foto: INTI
Koepeltjesbuurt, Zoetermeer
Koepeltjesbuurt, Zoetermeer. Bron: dekoepeltjes.nl

Symbolen van de consumptiemaatschappij

De ruimtelijke ordening was tot het begin van de jaren zestig nog gericht op de wederopbouw van Nederland en het vervullen van de primaire levensbehoeften als werk, onderdak, onderwijs en gezondheid. Er moesten vooral véél woningen worden gebouwd van een aanvaardbare minimumkwaliteit en dat gebeurde in de vorm van portiekflats en rijtjeswoningen, die in buurten waren ondergebracht zodat iedereen onderdeel kon uitmaken van een ‘community’.

De concepten van de gebundelde deconcentratie en de Groeikernen komen voort uit de Tweede Nota voor de Ruimtelijke Ordening (1966) en behoren daarmee tot het nationaal ruimtelijk beleid waarin Nederland in feite als één samenhangend en integrale planningsopgave werd gezien. Dit beleid werd gestart direct na de oorlog en duurde tot in de jaren negentig. Waar en hoe mensen wonen, bewegen, recreëren en werken kon gestuurd worden door het planmatig aanleggen van wijken, wegen, spoorlijnen, parken en het bouwen van grote, werkverschaffende overheidsinstituties als ziekenhuizen, universiteiten, ministeries en andere overheidsdiensten.

De Groeikernen waren het product van de fase na de wederopbouw: de opbouw van de individualistische consumptiemaatschappij. Ze zijn gebouwd volgens een nieuwe opvatting van wat de Nederlandse maatschappij aan haar inwoners te bieden had: met groene woonwijken, eengezinswoningen, ruimte voor de auto, de fiets en het openbaar vervoer. Het suburbane leven van een huis met een tuin en een auto voor de deur werd door een uitgekiend ontwerp van geschakelde woningen in complex ontworpen woonwijken voor grote groepen bereikbaar. De lagere middenklasse en de arbeidersklassen konden wonen in huizen en straten die voorheen aan de notaris en de arts voorbehouden waren.
Met hun aanbod van diensten en commerciële voorzieningen, hun afwisselende en soms zelfs pittoreske woonwijken en een verkeerssysteem waarin autoverkeer, fietsroutes en wandelpaden op ingenieuze wijze waren gescheiden, maakten de Groeikernen de ‘state of the art’ van stedenbouw en architectuur bereikbaar voor iedereen.

De Groeikernen zijn niet los te zien van een maatschappijvisie en een Rijksbeleid dat het beste werd verwoord door Minister-President Joop den Uyl met zijn streven naar de ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’. Daarmee wilde hij de sociale ongelijkheid opheffen en een egalitaire en genivelleerde maatschappij vormen. Van 1973 tot 1977 leidde hij het meest progressieve kabinet uit de Nederlandse parlementaire geschiedenis, waarin de linkse partijen PvdA, PPR en D’66 de toon aangaven. De speerpunten van het beleid waren niet langer economische groei en welvaart, maar andere, moeilijker te kwantificeren waarden, zoals emancipatie, participatie en democratisering. Mijn collega Wouter Vanstiphout schrijft hierover in het essay ‘Ontspannen samenleven’: “Democratie werd niet langer gezien als een zuivere representatieve parlementaire aangelegenheid, maar moest doordringen tot in de kleinste hoeken en gaten van de maatschappij zelf. Democratie moest ook gestalte krijgen in het meedenken van burgers met de scholen waarop hun kinderen zaten, met de vernieuwing van de wijken waarin ze woonden, met de ziekenzorg die ze kregen en met de beeldende kunst die werd getoond. Een sociaal beleid betekende niet alleen het nivelleren van inkomens, maar ook het mogelijk maken voor kinderen en mensen om zich te emanciperen, van huisvrouw naar professional, van arbeiderskind naar intellectueel, van dorpsbewoner naar kosmopoliet. Dit is wat Den Uyl bedoelde met de spreiding van kennis, macht en inkomen.”

Een belangrijk instrument op weg naar gelijkheid was de democratisering van het onderwijs, met als doel ‘gelijke kansen voor iedereen’, met de introductie van de Mammoetwet voor het middelbare onderwijs, de Middenschool en de Bibliotheekwet. Ook de stadsvernieuwing onder het motto ‘bouwen voor de buurt’, de explosieve groei van het buurtwerk en de participatie van bewoners in het ontwerp van Groeikernen laten de grotere waardering voor inmenging van de burgers zien. Het goede leven van de jaren zeventig, bestaand uit een mix van emancipatie, individualisme, solidariteit en gelijkheid, werd op meerdere niveaus tegelijkertijd gerealiseerd. Daarbij ging een grote aandacht voor de menselijke schaal gepaard met een institutionele schaalvergroting, waarbij de overheid bemoeienis kreeg met steeds meer facetten van het maatschappelijke leven.

>> Verder lezen: Ontspannen samenleven
"Terwijl de planologen in de jaren zestig met grote zekerheid de lijnen uitzetten waarlangs Nederland zich moest gaan ontwikkelen, leek de maatschappij vanaf de straat gezien volledig op losse schroeven te staan."

Eksperiment

De progressieve politiek liep parallel met ontwikkelingen in de wereld van de architectuur, die goed gebruik wisten te maken van het momentum. Rond 1970 trad een nieuwe generatie stedenbouwkundigen en architecten aan, opgeleid in de revolutionaire jaren zestig, vol van maatschappelijke sturm und drang. Ze waren geïnformeerd door de nieuwste sociale theorieën over de maatschappij en vaak links geëngageerd. Dit waren de mensen die hun studie begonnen met kort haar, een stropdas en een pijp, maar afstudeerden in spijkerpak, met lang haar en een shagje.

‘Down with the professionals’ (op het schoolbord), de leerstoel Weeber aan de TU Delft (v.l.n.r. Paul ter Weel, Sjak Nycolaas, Leen van Duin, Carel Weeber, Han Michel en Max Risselada). Bron: ’Carel Weeber ’ex’ architect’, U. Barbieri, J. de Heer, H. Oldewarris (red), Rotterdam 2003
‘Down with the professionals’ (op het schoolbord), de leerstoel Weeber aan de TU Delft (v.l.n.r. Paul ter Weel, Sjak Nycolaas, Leen van Duin, Carel Weeber, Han Michel en Max Risselada). Bron: 'Carel Weeber 'ex' architect', U. Barbieri, J. de Heer, H. Oldewarris (red), Rotterdam 2003

Bovendien bouwden ze niet zoals in de wederopbouwperiode voor jonge gezinnen van arbeiders en kantoorklerken die al lang blij waren met een eigen woning, maar voor gezinnen die tot de (lagere) middenklasse behoorden, zich als pioniers zagen, en die zich wilden emanciperen. In de nieuwe stad zagen ze een manier om onderdeel te zijn van een vrije consumptiemaatschappij, vol met materiële luxe en mogelijkheden om zich als individu te ontwikkelen. [2]

Dat verklaart waarom we juist in de architectonische uitwerking van de Groeikernen een experimenteel en vernieuwend elan zien, dat zelfs voor de Nederlandse traditie van constante vernieuwing, bijzonder is. Inclusiviteit, persoonlijke ontwikkeling, transparantie, toeval, ontmoeting, afwisseling, authenticiteit, herkenbaarheid, historie en ecologie waren de nieuwe mantra’s.

Nieuwegein, Batau. Woonstraat. Bron: Plan 1981 nr.7, p.37
Nieuwegein, Batau. Woonstraat. Bron: Plan 1981 nr.7, p.37
Schetsen voor het nieuwe centrum van Purmerend (onuitgevoerd) door bureau Zandvoort.
Schetsen voor het nieuwe centrum van Purmerend (onuitgevoerd) door bureau Zandvoort.
Ontwerp voor het centrum van de wijk Buytenwegh in Zoetermeer
Ontwerp voor het centrum van de wijk Buytenwegh in Zoetermeer, door bureau Jan Sterenberg.

Op mijn vele dwaaltochten, te voet of per fiets, door Capelle aan den IJssel, Purmerend, Almere, Spijkenisse of Nieuwegein heb ik veel van die pareltjes uit de jaren zeventig gezien: buurtjes waarvan het stratenpatroon op een Perzisch tapijt lijkt, stadsverwarmingshuisjes die als een half in de grond verzonken kubus op elke straathoek staan, woest-ecologische groengebieden met prachtige waterpartijen, inmiddels volwassen bomen en mooie doorzichten, sociale woningbouw vormgegeven als een mediterraan dorp, stapelingen van auto’s, pleintjes en appartementen en zo kan ik nog wel even doorgaan. En wat vooral opmerkelijk is, is hoezeer de maatschappelijke en de architectonische thema’s van destijds op die van nu lijken. Dat geldt op het gebied van onderwijs, milieu en klimaat, woningnood en het bouwen in hoge dichtheid, de toepassing van nieuwe materialen en bouwen in hout en de participatie van bewoners.

>> Verder lezen: Ontwikkelingen in de wereld van de architectuur
"In de naoorlogse periode werden op een massale schaal de principes toegepast van het Nieuwe Bouwen. In de functionalistische stedenbouw en de gestandaardiseerde woningbouw werden principes en innovaties, die voor de oorlog nog de uitzondering waren, de norm."

In de wijk Purmer Noord zijn verspreid door de wijk 15 kubusjes te vinden van de stadsverwarming
In de wijk Purmer Noord zijn verspreid door de wijk 15 kubusjes te vinden van de stadsverwarming, een mini-uitvoering van de stadsverwarmingscentrale. Bron: INTI
In de wijk Graan voor Visch (Hoofddorp) is een speciaal huisnummeringsysteem toegepast dat loopt van 13000 tot 19999 dat werkt als een soort postcodesysteem maar vanwege verregaande onhandigheid geen navolging heeft gekregen.
In de wijk Graan voor Visch (Hoofddorp) is een speciaal huisnummeringsysteem toegepast dat loopt van 13000 tot 19999 dat werkt als een soort postcodesysteem maar vanwege verregaande onhandigheid geen navolging heeft gekregen. Bron: Google Maps
Houtskeletbouwwoningen in aanbouw, naar ontwerp van Abe Bonnema in Alkmaar
Houtskeletbouwwoningen in aanbouw, naar ontwerp van Abe Bonnema in Alkmaar. Bron: www.regionaalarchiefalkmaar.nl

Onderwijs

Onderwijshervorming was zoals gezegd één van de speerpunten van het kabinet Den Uyl; logisch, want de spreiding van kennis en kansengelijkheid stond hoog op de agenda. Terwijl het tegenwoordig vooral gaat om het scheppen van kansen voor kinderen met een migratieachtergrond, ging het destijds om kinderen uit de arbeidersklasse, die om allerlei redenen met achterstelling te maken kregen. De Mammoetwet (1968) maakte het weliswaar makkelijker om van het ene schooltype te ‘promoveren’ naar een hoger schooltype, maar dat was nog niet genoeg. Onderwijsminister Van Kemenade pleitte voor de invoering van een Middenschool, die het moment van beroepskeuze en het opsplitsen van praktische (kansarme) en academische (kansrijke) leerlingen zou uitstellen. Ondanks veel tegenstand van partijen als de VVD, die de Middenschool herkende als een poging van de PvdA tot nivellering en de introductie van grotere gelijkheid, werd het besluit om met de Middenschool te experimenteren, in 1974 genomen.

>> Verder lezen: Onderwijs
"Voor een kabinet waar kansengelijkheid en emancipatie belangrijke waarden en doelen waren, was onderwijs logischerwijs een speerpunt in het programma. Met de ‘Middenschool’ wilde Van Kemenade de kansengelijkheid nog verder bevorderen en het middelbaar onderwijs toegankelijker maken voor met name de lagere klassen."

De eerste stad die stond te trappelen om aan dit experiment deel te nemen, was Lelystad. De egalitaire en vernieuwende spirit van de Middenschool paste goed bij de pioniersmentaliteit van de nieuwe stad. Kinderen van alle gezindten zouden in de scholengemeenschap een plek kunnen vinden. Het ideële onderwijsprogramma hoorde natuurlijk in een dito gebouw. Het ontwerp voor de school van architect Pieter Jellema [3] uit 1972 volgde de structuralistische principes die onder Team Ten [4] architecten gangbaar waren geworden: een laag gebouw, dat modulair was ontworpen op basis van vierkanten die nu eens een klaslokaal, dan weer een patio vormden; veel plek voor de kinderen om elkaar te ontmoeten, en samen te kletsen of te studeren. Behalve modulair was het gebouw ook flexibel en uitbreidbaar; de andere toverwoorden van de architectuur op dat moment.

Klaslokaal in Spijkenisse. Bron: Streekarchief Voorne Putten
Klaslokaal in Spijkenisse. Bron: Streekarchief Voorne Putten
KBO-school De Regenboog, Lelystad
KBO-school De Regenboog, Lelystad. Bron: Scholen in een nieuwe samenleving, H. Pruntel, Lelystad 2004, p.130
Scholengemeenschap Lelystad
Scholengemeenschap Lelystad (SGL). Bron: Scholen in een nieuwe samenleving, H. Pruntel, Lelystad 2004, p.156

Ook met het lager onderwijs werd in de polder geëxperimenteerd. Voor het eerst werden kleuter en lager onderwijs gecombineerd in één gebouw. Er werd voorrang gegeven aan groepsonderwijs in plaats van klassikaal onderwijs en in het algemeen aan vrijer onderwijs. In Lelystad, maar ook in Almere was geen plek voor de hokjesgeest en de verzuiling van het ‘oude land’, ouders en kinderen zouden onderdeel vormen van een samenhangende leefgemeenschap. Kinderen met allerlei verschillende achtergronden zouden opgroeien tot kritische en mondige burgers. Ook deze schoolgebouwen werden modulair en flexibel ontworpen, met schuifwanden en open ruimtes waar ook gelegenheid was voor activiteiten van de ouders, zodat de scholen een soort gemixte buurtcentra werden.
In de nieuwe steden in de polder was er een groot enthousiasme voor onderwijsvernieuwing en voor experimentele en vernieuwende lesmethoden, zoals het Jenaplan, het Vrije en het Montessori-onderwijs. Het experiment leek soms doel op zich te worden en volgens sommige onderzoeken leed de kwaliteit van het onderwijs er zelfs onder. [5]

>> Verder lezen: Multifunctionele centra voor maatschappelijke ontwikkeling
"Al in de jaren zestig werd de roep in de architectuurwereld om een menselijke schaal in de gebouwde omgeving steeds luider. De kritiek op het functionalisme en de nieuwe maatschappijkritische houding die deze generatie architecten aannam, bepaalde ook hun opvattingen over maatschappelijke centra."

Multifunctionele gebouwen

Terwijl in de wederopbouwperiode de stad opgesplitst werd in aparte delen om te wonen, te werken of te recreëren, werden in de jaren 70 alle functies zoveel mogelijk gemengd. Dat gebeurde vooral bij openbare gebouwen. Het leidde tot merkwaardige en soms lichtelijk onwerkbare combinaties, zoals in de bekende Meerpaal van architect Frans van Klingeren in Dronten, waar een markt, theater en sportruimte in één ruimte werden ondergebracht. Het idee was dat deze activiteiten elkaar zouden verrijken en mensen makkelijker met sport of cultuur in aanraking zouden komen. Taal of schilderles, koffie-uurtje voor huisvrouwen, handwerken, emailleren, pitrietvlechten, macramé en kerkdiensten, alles werd in de multifunctionele centra door elkaar georganiseerd. Hetzelfde idee om functies te mixen werd toegepast in brandweerkazernes, bestuurscentra, scholen, ziekenhuizen, theaters, buurthuizen, winkelcentra, parken en politiekantoren.

Ook in de architectuur en vormgeving van openbare gebouwen waaide een nieuwe wind: symmetrie, strengheid en monumentaliteit werden taboe. De hele traditie van het bouwen van publieke gebouwen werd op losse schroeven gezet. Ervoor in de plaats kwamen gebouwen die als een stukje stad waren vormgegeven. Binnen en buiten, openbaar en privé, klein en groot liepen in elkaar over, in steeds complexere vormen.

Bibliotheek en buurtcentrum, Spijkenisse
Bibliotheek en buurtcentrum, Spijkenisse
De Meerpaal, Dronten
De Meerpaal, Dronten. Bron: Hinder en ontklontering. Architectuur en maatschappij in het werk van Frank van Klingeren, M. van den Bergen , P. Vollaard, Rotterdam 2003, p.109
De Roef, café en kerk, Almere Haven
De Roef, café en kerk, Almere Haven

Woningen

Maar de behoefte aan ‘ekspiriment’, aan het opnieuw uitvinden en verbeteren van de maatschappij, zien we niet alleen terug in het ontwerp van openbare gebouwen. Ook in de woningbouw werd gezocht naar vernieuwing, dikwijls gestimuleerd en gefinancierd door de Rijksoverheid. [6] Dat experiment richtte zich bijvoorbeeld op het vinden van alternatieven voor hoogbouwflats, door laag te bouwen maar in hoge dichtheid, op het stapelen van allerlei functies, op woondekken boven een parkeerterrein, op architectuur voor collectieve woongroepen, systemen om de flexibiliteit van het wonen te bevorderen en nieuwe constructiemethodes, zoals bouwen in hout, werden uitgeprobeerd en gestimuleerd. Verduurzaming en energiebesparing kwamen door de oliecrises in de belangstelling te staan; de eerste zonnepanelen werden geïntegreerd in de architectuur en technische installaties zoals warmtepompen werden aangelegd.
Nieuwe financieringsmogelijkheden voor de woningbouw werden gecreëerd onder leiding van PvdA staatssecretaris Marcel van Dam, waardoor studio’s voor jongeren en kleine huishoudens kon worden gebouwd (HAT-eenheden) en koopwoningen voor lagere inkomens bereikbaar werden (premie A en B woningen).

Dekwoningen, Nieuwegein
Dekwoningen, Nieuwegein. Foto: INTI
Woondek, Zoetermeer
Woondek, Zoetermeer. Bron: architectuurpuntzoetermeer.nl
Het Scheveningse Dorp, Zoetermeer
Het Scheveningse Dorp, Zoetermeer. Bron: Architectuurgids Zoetermeer, J. van Geest, Amsterdam 2016, p. 186

Iets anders dat in de jaren zeventig duidelijk werd, was dat mensen behoefte hadden aan meer gemeenschappelijke en alternatieve manieren van wonen. Het keurslijf van de eindeloze wijken met rijtjeswoningen voor het kerngezin van vader-moeder-kinderen werd niet langer door iedereen geaccepteerd, laat staan als ideaal gezien. Het extreme andere uiterste was de commune die in de jaren 60 populair werd vooral bij politiek geëngageerde, linkse bewoners. Een tussenweg was dat van de ‘woongroep’, een soort ‘commune-light’ waarbij ieder een eigen woonruimte heeft, maar daarnaast allerlei gemeenschappelijke voorzieningen gedeeld worden. Deze woonvorm werd in korte tijd enorm populair: in 1982 waren er 7000 woongroepen verspreid over heel Nederland. [7]

>> Verder lezen: Groepswonen
"Tijdens de hoogtijdagen van de tegencultuur, in 1972, waren er 50 communes in Nederland. Maar in 1982 werd er ineens een astronomisch aantal van maar liefst 7000 woongroepen in Nederland geteld. Waarom was deze woonvorm zo aantrekkelijk voor mensen?"

In zekere zin was de woongroep een reactie op de consequenties van de verzorgingsstaat. De staat nam immers allerlei zorg en ouderdomsvoorzieningen over, die eerder door de traditionele familiebanden werden opgevangen. Bijstand, AOW, de verruimde mogelijkheden om te scheiden: het waren allemaal instrumenten voor een grotere zelfstandigheid van het individu, met minder afhankelijkheid van de familie, de zuil of de werkkring.

Het grootste Europese Centraal Wonen project in de wijk Fokkesteeg in Nieuwegein. Bron: www.woonkaart.com
Het grootste Europese Centraal Wonen project in de wijk Fokkesteeg in Nieuwegein. Bron: www.woonkaart.com
WoonKollektief Purmerend
WoonKollektief Purmerend
Praathuis in Woongroep De Redemark, Almere
Praathuis in Woongroep De Redemark, Almere

Maar de individualisering was niet alleen maar positief, want velen misten de vroegere sociale cohesie. De woongroep was een manier om die opnieuw te creëren. Mensen vormden bottom-up groepen, kozen samen een architect en realiseerden hun project vaak samen met een woningbouwvereniging. Vaak waren de woongroepen gestoeld op politiek idealisme en waren ze links en maatschappijkritisch ingesteld. Maar er was ook een praktisch element aan de woongroep, die het voor moeders veel makkelijker maakte om taken te delen, zoals de zorg voor de kinderen. In die zin werkte de woongroep emanciperend voor vrouwen: minder tijd voor het huishouden betekent immers meer tijd voor school, werk en eigen ontwikkeling.

In Almere, Purmerend, Westervoort, Lelystad, Spijkenisse werden gemeenschappelijk wonen projecten gebouwd. Die in Nieuwegein was met 23 woongroepen zelfs de grootste van heel Europa. Destijds werden deze projecten vaak ‘Centraal Wonen’ genoemd; tegenwoordig ‘co-housing’, CPO (collectief particulier opdrachtgeverschap), ‘Knarrenhof’ of nog weer anders.

Spreiding

Den Uyl’s spreiding van kennis, macht en inkomen leidde ook tot het letterlijk spreiden van voorzieningen. Dat gold op de schaal van het hele land, door voorheen geïsoleerde gebieden als Oost-Groningen of Zuid-Limburg met snelwegen te ontsluiten. Het uitgebreide snelwegennet was als een beschavingsoffensief dat tot in de uithoeken van het land reikte en het omvormde tot één geheel, de ‘stad Nederland’. Vervolgens decentraliseerde de overheid haar kantoren, zodat ook de werkgelegenheid kon doordringen tot Groningen (PTT), Emmen (Topografische Dienst) of Zoetermeer (Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen).

Op kleinere schaal kreeg het spreidingsidee vorm in de voorzieningen op wijk en buurtniveau, zoals jongerencentra, bibliotheken, theaters en culturele centra. Vooral de jongerencentra waren een factor van belang in de ontwikkeling van jongeren, zo kan ik vanuit mijn eigen ervaring zeggen. De Bibliotheekwet (1975) bepaalde dat iedere wijk recht had op een openbare bibliotheek. De gebouwen, benodigd voor deze voorzieningen, leidden tot een bouw-boom, een confetti aan nieuwe gebouwtjes uitgestrooid over de nieuwbouwwijken.
Ook in de werkwijze en de zeggenschap over deze voorzieningen -de spreiding van macht- werden allerlei vernieuwingen doorgevoerd. Participatie en inspraak werden ontwikkeld; Spijkenisse en Nieuwegein waren korte tijd zelfs bekend om de grondige en baanbrekende manier waarop ze het participatieproces aanpakten.
In de zorg waaide enkele jaren een revolutionaire wind waarbij de werkwijze en de mentaliteit in de psychiatrische instellingen, de eerstelijnszorg en de ziekenhuizen bekritiseerd werd. In plaats daarvan werd een aanpak voorgesteld waarbij de patiënt centraal zou komen te staan en de puur technocratische aanpak overboord moest.

Flevo Ziekenhuis, Almere
Flevo Ziekenhuis, Almere. Bron: De architectuur van het ziekenhuis, N. Mens, A. Tijhuis, Rotterdam 1999, p. 318
Woonwensenformulier, Almere 1976
Woonwensenformulier, Almere 1976. Vormgeving: S. Stolk. Bron: Adolescent Almere, J.J. Berg, S.Franke, A. Reijndorp, Rotterdam 2007
Brandweerkazerne in het centrum van Zoetermeer
Brandweerkazerne in het centrum van Zoetermeer

>> Verder lezen: Zorg
"Binnen de verzorgingsstaat vond een explosieve groei plaats van de gezondheidszorg en het percentage van het nationale inkomen dat daaraan besteed werd, steeg vanaf het einde van de tweede wereldoorlog gestaag. In de tweede helft van de jaren zestig werden elk jaar 5 tot 10 nieuwe ziekenhuizen geopend."

In iedere groeikern vinden we voorbeelden van deze architectuur van de hoop en de verandering. Sommigen ervan zijn bekend, zoals de al genoemde Meerpaal in Dronten of het gebouw Corrosia in Almere. Sommige zijn alweer afgebroken, zoals het buurtcentrum van de antroposofische architecten Alberts en Van Huut in de wijk Meerzicht in Zoetermeer. Andere zijn met afbraak bedreigd zoals de brandweerkazerne in Zoetermeer of het bejaardentehuis van architect Herman Hertzberger in Almere Haven. Maar de meeste van deze experimentele bouwwerken kennen we gewoon niet. De woongroepen in Spijkenisse, Nieuwegein en Purmerend, de vernieuwende scholen in Lelystad, de ecologische parken in Almere of Houten, de ‘woondekken’ in Zoetermeer of Capelle aan den IJssel, de stadsverwarmingscentrale in Purmerend, de houtskeletbouwwoningen in Nieuwegein of Alkmaar: de lijst aan opmerkelijke nouveautés uit de jaren zeventig is lang, maar niet erg bekend en zeker niet erg gewaardeerd.

De steden weten vaak zelf niet eens wat ze voor bijzondere bouwwerken of stedenbouwkundige patronen hebben, wat hun geschiedenis is, wat de ideeën en ambities waren achter die projecten en wat je er nu mee zou kunnen. Men zegt dat de nieuwe steden geen geschiedenis hebben, maar dat is niet zo; die geschiedenis is alleen vergeten. En als er één ding is vergeten, dan is het wel het experimentele elan dat in die geschiedenis schuilgaat. Juist een bewustzijn van dat elan is wat ik zou willen aanwakkeren. Want ook in de nabije toekomst zullen er uitvindingen gedaan moeten worden op het gebied van wonen en samenleven, van ecologie en klimaat, van mobiliteit en energie. Waarom niet in de Groeikernen?

Er is maar een korte periode geweest die we kunnen beschouwen als de glorietijd van de Groeikernen, daarna zijn ze verweesd geraakt.

Een onvoltooid project

Precies tien jaar geleden verscheen een mooie Atlas van de nieuwe steden, waarin de auteurs (waaronder dé kenner, Arnold Reijndorp) een lans breken voor de ‘suburbane stedelijkheid’ van de Groeikernen. Ook daarin worden de Groeikernen beschreven als een onvoltooid project: “de idealen zijn niet gerealiseerd, de verwachtingen niet uitgekomen”. [8] Ook ik beschouw deze stadjes nog steeds als een onvoltooid project, een project dat zijn beloftes nog niet heeft waargemaakt. Er is maar een korte periode geweest die we kunnen beschouwen als de glorietijd van de Groeikernen, daarna zijn ze verweesd geraakt. Die periode is heel precies te omschrijven. Allereerst aan de hand van overheidsbeleid: het begon in 1966 met de 2de Nota Ruimtelijke Ordening, waarin de gebundelde deconcentratie en de Groeikernen werden voorgesteld. Met de 4de Nota uit 1988 kwam er een einde aan het Groeikernenbeleid en werden alle ballen op de historische binnensteden gezet. Maar eigenlijk is die heyday nog korter als je kijkt naar de financiën: pas in 1972 werd door de overheid geld beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de Groeikernen en in 1979 kwam de tweede oliecrisis, die de experimentele geest weer in de fles joeg.

>> Verder lezen: Einde van het geloof in de Groeikernen
"Terugkijkend op de hoogtijdagen van de Groeikernen is het niet alleen verbazingwekkend hoe snel ze uit de grond werden gestampt, de voortvarendheid waarmee de bouwindustrie de opgave aanpakte, en de hoeveelheid woningen die werd gerealiseerd. Het is net zo verrassend te zien hoe kort die hoogtijdagen eigenlijk maar duurden."

Waarom hield men het project van de nieuwe steden na zo’n korte tijd alweer voor gezien? Iedereen zal immers begrijpen dat een stad niet in één decennium tot wasdom kan komen. De redenen voor de koerswijziging hebben veel te maken met de traagheid van planning en stedenbouw. Het concept van de Groeikernen kwam voort uit het modernistische denken tijdens de wederopbouwperiode. Maar toen ze eenmaal werden uitgevoerd, woei er een heel andere wind. Dat leidde tot veel kritiek. In het licht van het beginnende klimaatbewustzijn, dat een kortstondig hoogtepunt bereikte na het rapport van de Club van Rome (1972), werden de Groeikernen bekritiseerd omdat ze grote stromen forensen in auto’s op de weg brachten. De Groeikernen waren qua werkgelegenheid karig bedeeld en in de spits begaf vooral de mannelijke bevolking zich tweemaal daags richting de ‘moederstad’ en weer terug. Het waren geen zelfstandige steden, maar eerder satellietsteden, die voor hun werk en andere voorzieningen afhankelijk bleven van de grote steden.

Daar kwam een andere belangrijke reden bij: het Groeikernenbeleid vergde veel overheidsgeld. Vooral de grote steden lobbyden voor het verschuiven van deze geldstroom naar stadsvernieuwingsprojecten. Nadat ze eerst de hen omringende plaatsjes hadden bezworen dat ze meer en meer van hun inwoners moesten opnemen, kwamen ze daar nu op terug. Terwijl Amsterdam jarenlang Purmerend als overloopstad gebruikte, werd de Groeikern nu plots als concurrent gezien. In zekere zin werden de Groeikernen gestraft voor hun succes. Vervolgens werden ze als een vergissing gezien, een uitvloeisel van de naoorlogse groeigedachte, die een halt moest worden toegeroepen. En dat gebeurde.

Zo bleven de hoogtijdagen van de Groeikernen beperkt tot de jaren zeventig. Daardoor zijn veel van hen niet toegekomen aan het vervullen van hun ambities. Sterker nog: een aantal steden kwam in zwaar weer terecht; Lelystad, Capelle aan den IJssel en Purmerend gingen bijna failliet nadat de focus van de overheidsfinanciën verschoof, allerlei subsidies op welzijnswerk werden afgeschaft en de crisis van begin jaren tachtig noopte tot allerlei bezuinigingen. [9] Dat zie je terug in de schrale architectuur van de woningen en andere gebouwen uit die tijd.

In het daaropvolgende decennium verplaatste de aandacht van de planners zich naar de stadsvernieuwing in de oude wijken als populaire plekken van vernieuwing en experiment. De Groeikernen ruilden hun nieuwheid en bijzonderheid in voor een reputatie van saaiheid. De ambities werden naar beneden bijgesteld; het werden slaperige woonoorden, waar vooral forenzen woonden omdat de werkgelegenheid ernstig achterbleef bij de oorspronkelijke plannen. En ook wat betreft de overige voorzieningen die bij een stad horen, kwamen de Groeikernen er bekaaid van af. Terwijl de wegen en de groengebieden overgedimensioneerd waren, mankeerde het de stadjes aan stedelijkheid en culturele voorzieningen.

Niemand in de vakwereld van ontwerpers en bestuurders interesseerde zich vanaf de jaren negentig nog voor het stoutmoedige project van de nieuwe steden. Dat ging zelfs zó ver dat de Groeikernen of het concept van de ‘gebundelde deconcentratie’ in het standaardwerk over de Nederlandse ruimtelijke ordening, ‘Ruimtelijke ordening: van grachtengordel tot Vinex wijk’ van Hans van der Cammen en Len de Klerk, niet eens meer voorkwamen. [10] Maar natuurlijk bestonden de Groeikernen nog wél en ontwikkelden ze zich ook rustig verder. Weliswaar niet met het elan uit de beginperiode, maar toch werden in de loop van de decennia vele uitbreidingen en veranderingen gemaakt.

>> Verder lezen: Waar zijn onze Groeikernen gebleven?
"Groeikernen zijn weliswaar niet de spannendste of de meest populaire steden in Nederland, maar ze bestaan wel en er wonen samen 1,5 miljoen mensen."

Wat scheelt eraan?

Vrijwel in alle Groeikernen werd de afgelopen twintig jaar geïnvesteerd in de centra, de culturele voorzieningen en het winkelareaal. In de centra komen de ideeën, de trends en de smaak van het moment het sterkst tot uiting. De kleinschaligheid en geborgenheid van de jaren zeventig, die vorm kreeg in bakstenen straatwanden met donkere houten balkons, passages, stegen en grachten, is overal opgefrist met nieuwe architectuur. De gedateerde theaters, bibliotheken of stadhuizen kregen een update of werden vervangen. Zo deed Sjoerd Soeters in Spijkenisse een fantasy-remake van het jaren zeventig centrum. En in Nieuwegein werden de strakke vormen van het centrale winkelplein bedekt met een grillige, organische laag winkels.

Het oude centrum van Spijkenisse, naar ontwerp van Pietro P. Hammel
Het oude centrum van Spijkenisse, naar ontwerp van Pietro P. Hammel
Het nieuwe centrum van Spijkenisse, naar ontwerp van Sjoerd Soeters
Het nieuwe centrum van Spijkenisse, naar ontwerp van Sjoerd Soeters

Maar ondanks deze investeringen worden de Groeikernen, inmiddels middelgrote steden, door hun -bijna 1,5 miljoen- bewoners over het algemeen nog niet beschouwd als “complete” steden. [11] Nog steeds bestaat er een achterstand op het gebied van sociaal-culturele voorzieningen, dat ongetwijfeld verband houdt met de eenzijdigheid van de bevolking. De Groeikernen worden weliswaar als comfortabel en groen beoordeeld, maar wanneer op andere punten de vergelijking wordt gemaakt met historische steden van hetzelfde formaat, valt die voor deze nieuwe steden negatief uit.

Wijken of steden die in een korte tijdsperiode worden gebouwd hebben een groot nadeel: in het begin is alles nieuw en aantrekkelijk, maar na enkele decennia zijn alle woningen, kantoren, winkels en scholen allemaal tegelijk oud en aan vernieuwing toe. Dat hebben we gezien bij de wederopbouwwijken, die twintig jaar geleden en masse ‘geherstructureerd’ moesten worden en dat zullen we ongetwijfeld over dertig jaar zien in de Vinexwijken. Alles raakt verouderd: niet alleen de woningen, maar ook de straten, het straatmeubilair, de struiken en de bomen en alles wat ondergronds is zoals het riool en de water- en andere leidingen.
Daarnaast zijn de ideeën over wat een ideale woning en buurt is tegenwoordig niet meer hetzelfde als in de jaren 70. Destijds werden vooral slaapwijken voor jonge gezinnen gebouwd, met rijtjeswoningen en veel plek voor kleine kinderen om te spelen. Maar als die kinderen opgroeien en jonge adolescenten worden: waar kunnen ze dan heen? En waar kunnen ze wonen als ze uit huis willen? De vergrijzing in de Groeikernen is veel groter dan in andere Nederlandse steden. Bewoners van het eerste uur wonen nog steeds in de eengezinswoningen van destijds, ook al zijn ze inmiddels bejaard en zijn de kinderen het huis uit. Misschien zouden ze wel willen verhuizen naar een ander type woning, maar waar in hun buurt is die beschikbaar? Daarnaast zijn monofunctionele slaapwijken, waar geen winkel, werkplaats of kantoortje te vinden is, in diskrediet geraakt; een mix van functies levert een wijk op die beter leefbaar en leuker is.
Om nog even door te gaan over de tekortkomingen van de groeikernen: ze hebben vrijwel allemaal een gebrek aan diversiteit gemeen in inkomen, opleiding en in de woningvoorraad. Daar komt nog bij dat de woningen niet goed geïsoleerd zijn en aangepast moeten worden voor de energietransitie. Het zijn echte autosteden met veel asfalt en parkeervoorzieningen, die niet bepaald voorop lopen in de mobiliteitstransitie. Tenslotte is er veel te weinig werkgelegenheid in de Groeikernen, wat het gevolg is van hun oorsprong als overloop- en forenzensteden. Dit zijn belangrijke aspecten die de Groeikernen in de toekomst zelfstandiger en weerbaarder zouden kunnen maken.

Capelle aan den IJssel. Foto: Theo Baart
Capelle aan den IJssel. Foto: Theo Baart
Lelystad. Foto: Theo Baart
Lelystad. Foto: Theo Baart
Almere Haven. Foto: Theo Baart
Almere Haven. Foto: Theo Baart

Elke keer dat de jaarlijkse Atlas voor gemeenten uitkomt met nieuwe gegevens over woonaantrekkelijkheid, bevolking en sociaal-economische positie staat er een concentratie van Groeikernen onderaan de rangorde, hoewel daar een hoop op af te dingen valt. [12] En recent onderzoek suggereert dat er binnen deze groep van de Groeikernen vergelijkbare negatieve tendensen bestaan op het gebied van sociaal-economische ontwikkeling. [13]

Daarnaast zijn er dan ook nog een aantal opgaven, die niet specifiek zijn voor de Groeikernen, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatadaptatie en vergroening. Daarbij hebben de Groeikernen opgaven maar ook grote kansen, misschien wel grotere dan de oude steden.
Kortom: er zijn tal van opgaven waar de Groeikernen zich voor geplaatst zien en die ze gemeenschappelijk hebben, deels bepaald door hun identieke leeftijd, deels door de grote opgaven van deze tijd.

Groeikernen bevolkingsgroei. Bron: INTI
Groeikernen bevolkingsgroei. Bron: INTI

De visie op deze opgaven hebben de steden vastgelegd in documenten die hun ontwikkelrichting en ambities – meestal met als horizon 2040 – aangeven. [14] Deze plannen voorzien in grote aantallen woningen die toegevoegd worden, met als uitschieters Zoetermeer (15.000), Lelystad (40.000) en Almere (60.000). Maar ook Spijkenisse, Capelle aan den IJssel en Purmerend hebben de ambitie om duizenden woningen bij te bouwen. Dat gebeurt soms in de vorm van uitbreidingswijken ‘in het weiland’, soms in de vorm van verdichting van de bestaande stad.

Hoewel er tussen de steden grote verschillen bestaan, laten de documenten veelal een generiek toekomstbeeld zien dat vaak geleid wordt door de wens van de oudere bewoners dat er zo min mogelijk verandert. Opvallend is dat er niet veel oog is voor de eigenheid van deze Groeikernen en dat een specifiek stedelijk beeld afwezig is. Dikwijls ontbreekt ook een duidelijk beeld van de veranderende positie van de groeikern in de regio en wordt het beleid niet optimaal gekoppeld aan de grotere verstedelijkingsopgave van Nederland.

Dat is jammer. Want als onvoltooid project zouden de Groeikernen zelf kunnen profiteren van de huidige druk op de woningmarkt, wanneer de opgave tenminste niet simpelweg vertaald wordt als het toevoegen van woningen, maar als het toevoegen van stedelijkheid en diversiteit met behoud van de groen en suburbane kwaliteiten. Dit kan veel van de problemen van de Groeikernen -monotonie, massale vergrijzing, saai imago- verbeteren en de kwaliteit van deze steden verhogen.
Het gebrek aan geschiedenis werd lange tijd als een gemis gevoeld. Maar inmiddels hebben de Groeikernen bijna allemaal hun vijftigste verjaardag gevierd; dan heb je toch wel geschiedenis. Ook op dat punt en het zelfbewustzijn dat erbij hoort zit er veel verschil tussen de Groeikernen. Sommige bezitten een historische vereniging en hebben al een architectuurgids uitgegeven, andere zijn bezig met de transformatie van de eerste wijken en ontdekken opnieuw de concepten en kwaliteiten van destijds.

De transformatie van de Groeikernen gaat op dit moment vooral op de business as usual manier - met wat extra aandacht voor duurzaamheid. Maar moeten we niet veel radicaler zijn? De behoefte aan een nieuw stedelijk ideaal om met de grote opgaven van deze tijd om te gaan is groeiende. Die behoefte is alleen nog maar versterkt door de recente klimaatcrisis, droogte, storm en coronapandemie. Kunnen de Groeikernen opnieuw -net als in de jaren zeventig- dienen als platform voor stedelijk experiment? Er zijn goede redenen om de experimentele architectuur en cultuur van de Groeikernen opnieuw onder de aandacht te brengen, niet als een historisch monument, maar als inspiratie en als een springplank naar de toekomst.

Daarbij is het ongetwijfeld ook van belang hoe de Rijksoverheid zich gaat opstellen. Blijft die liberaal op de achtergrond? De Corona crisis heeft een aantal discussies over de toekomstige verstedelijkings en maatschappelijke opgave versneld en uitvergroot. Zo is er weer aandacht voor het belang van een sterke en vooruitdenkende overheid. Deze herwaardering betreft ook de ruimtelijke ordening, zoals het opnieuw instellen van een Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Welke keuzes zal deze Minister gaan maken? Zal deze, zoals we dat kennen uit de twintigste eeuw, het voortouw nemen in de ruimtelijke inrichting? Zal deze de heersende woningnood met ferme hand aanpakken?

De woningnood als kans

De woningnood is terug van weggeweest, maar de woningvraag is tegenwoordig van een heel andere aard dan toen de Groeikernen volliepen met nieuwe inwoners. Toen was de belangrijkste doelgroep vrij homogeen: die van jonge gezinnen. Die homogeniteit is inmiddels verdwenen, óók in de Groeikernen. In 2019 groeide de Nederlandse bevolking grotendeels door immigratie, met 132.000 mensen. [15] De toekomstige bewoners zullen een bont gezelschap zijn van tijdelijke en permanente migranten, senioren, expats, arbeidsmigranten, studenten en lokalen. Bovendien zal de Nederlandse bevolking binnenkort voor maar liefst 20% uit alleenstaanden bestaan en dat percentage ligt in de Randstad nog hoger. [16]

De tegenwoordige woningnood biedt een uitgelezen kans voor de Groeikernen om een aantal bestaande tekortkomingen te verbeteren. Een kans om ‘preventief te vernieuwen’, voordat de achteruitgang die in sommige wijken al wordt geconstateerd, onaangename vormen aanneemt. Om bijvoorbeeld comfortabele seniorenstudio’s of collectieve ‘Knarrenhofjes’ te bouwen in overleg met de bewoners, passend bij de razendsnel toenemende vergrijzing en om de doorstroom te bevorderen zodat ook een nieuwe generatie gezinnen in de eengezinswoningen van de Groeikernen terecht kan. Of om ruimte te bieden aan co-housing projecten, wooncoöperaties, allerlei groepen mensen die zichzelf organiseren om een gemeenschappelijk woonproject te realiseren; de huidige versie van het ‘groepswonen’ in de jaren zeventig. Of om experimenten met nieuwe constructies uit te voeren, bijvoorbeeld met bio based materialen en houtconstructies. Kunnen de Groeikernen weer iets van hun oorspronkelijke idealisme en vooruitstrevendheid krijgen?

Een onvermijdelijke utopie

De belangrijkste drijfveer om op een vernieuwende manier aan de stad te werken lijkt mij de klimaatcrisis. Terwijl ‘duurzaamheid’ al jaren onderdeel vormt van elk bouwproject is het nu hoog tijd om dit begrip niet als een kers op de taart te beschouwen maar als het meest fundamentele doel, dat aan de basis van elk denken over de toekomst van de stad staat. De huidige en voorspelde gevolgen van de klimaatcrisis maken het noodzakelijk om op een radicale manier ons denken en onze manier van leven te hervormen. Dat zal zijn weerslag krijgen in de huizen, straten en openbare ruimte in onze steden.

puntweg-spijkenisse
puntweg-spijkenisse

Concreet betekent dit dat de automobiliteit die gebruikelijk is in de Groeikernen, met hun suburbane levensstijl en de vele forenzen, drastisch naar beneden zal gaan. Werken dicht bij huis, collectief openbaar vervoer, in welke vorm dan ook, en de (elektrische) fiets zullen de norm moeten worden.
Hoewel de Groeikernen veel groen hebben, zijn er toch ook vele hitte-eilanden ontstaan (bijvoorbeeld door steeds meer en grotere parkeerterreinen) die aangepakt moeten worden. De woningen uit de jaren zeventig en tachtig zijn onvoldoende geïsoleerd en dat vereist een grote operatie die niet alleen aan de bewoners kan worden overgelaten. Voor het opwekken van energie en de distributie daarvan geldt hetzelfde.

patrijshoek-spijkenisse
patrijshoek-spijkenisse

Er zijn talloze politieke, organisatorische en juridische beslissingen die kunnen bijdragen aan klimaatvriendelijke steden. Denk aan regionale samenwerking (in plaats van onderlinge concurrentie tussen steden) die de verdeling van werkgelegenheid beter kan regelen zodat er minder verkeersbewegingen nodig zijn. Of de (bestaande) samenwerking in de Regionale Energie Strategieën. Of regelgeving die het ongebreidelde internet-bestelgedrag van consumenten beteugelt, waardoor de steeds dichter naar de stad oprukkende distributiedozen beperkt worden. Of denk aan de kantoren die overal getransformeerd worden tot woningen omdat ‘de markt’ hierom vraagt, terwijl werkgelegenheid in de Groeikernen juist zo’n gemis is. Of aan snelle, comfortabele openbaar vervoer verbindingen met de centra in de Randstad: eindelijk een metro van Almere via IJburg naar Amsterdam!

muzieklaan-zoetermeer
muzieklaan-zoetermeer

Na het rapport van de Club van Rome in 1972 was er even een opleving van het milieubewustzijn, weerspiegeld in woningen met zonnepanelen, houtskeletbouw, uitgebreide fietsnetwerken en riante groengebieden. Maar daarna ontstond er een splitsing tussen de harde kern van ‘geitenwollen sokken’ mensen en de goegemeente. Die laatste liet zich meeslepen door de ongebreidelde economische hoogconjunctuur van de jaren negentig, die bovendien de belofte in zich droeg dat alle milieuproblemen door techniek en innovaties zouden worden opgelost, en onze persoonlijke bijdrage beperkte zich tot het water dichtdraaiden tijdens het tandenpoetsen en het licht steeds uitdoen. Ik ben bang dat ook ik tot deze groep behoorde.

overlanderstraat-purmerend
overlanderstraat-purmerend

Inmiddels hebben we nog maar tien jaar om onze levenswijze zodanig te veranderen dat de temperatuurstijging beperkt kan worden tot 1,5%. Dat betekent dat de tijd om te twijfelen of halfzachte maatregelen te nemen, voorbij is. De opgave is nu om de radicale stappen die nodig zijn op een verstandige manier te zetten, zodanig dat de Groeikernen leefbaar blijven en aan kwaliteit winnen, hoewel het andere kwaliteiten zullen zijn dan waaraan de bewoners op dit moment gewend zijn. Het zullen steden worden waar niet het individuele belang en eigendom centraal staan, maar het collectieve; denk aan een fijnmazige openbare ruimte en een frequent openbaar vervoer. Waarin veel meer ruimte zal moeten zijn voor groen en water(berging). Waar minder ruimte ingenomen zal worden door de hitte-eilanden van de parkeerplaatsen. Waar het voedselaanbod in de winkel niet zal opvallen door exorbitante keuzemogelijkheden, maar wel door kwaliteit: niet ingevlogen van over de hele wereld, maar eerlijk en gezond geproduceerd in de nabijheid van de stad. Waar professionele biologische landbouw ingepast wordt in de schaal van de historische polders rondom de steden. Waar bewoners zich niet alleen voor hun individuele consumptie interesseren maar ook bewust zijn van hoe die consumptie samenhangt met de plekken van productie. Waar ook plek is voor productie (maakindustrie) in de steden zelf. Waar voor iedereen mogelijkheden bestaan voor vakantie in eigen land, niet alleen omdat commerciële attracties in die behoefte vervullen maar ook doordat het landschap en de waterkanten er op een natuurlijke manier op ingericht worden en doordat er campings, volkstuinen en vakantieparken zijn. Waar woningen een redelijke omvang hebben, betaalbaar zijn en een buitenruimte bieden. Waar ‘het recht van de snelste’ niet meer geldt, maar verblijfskwaliteit centraal staat: niet de auto, maar de voetganger en de fiets geven de toon aan, met genoeg ruimte voor voetpaden en (snel)fietspaden. Waar niet de financiële strategieën van grote marktpartijen bepalend zijn, maar ruimte is voor de niet op winst gerichte initiatieven van bewoners, woon- en energiecoöperaties.
Het klinkt misschien utopisch, maar het is een onvermijdelijke utopie.

Dit essay is fase 1 van ‘Een onvoltooid project’. In fase twee gaan we via ontwerpend onderzoek bedenken hoe de Groeikernen zich op basis van deze utopie, dit noodzakelijke toekomstbeeld, moeten ontwikkelen. We nemen daartoe drie steden als casestudy: Spijkenisse, Zoetermeer en Purmerend. Elk van hen heeft samen met ons een ontwikkelingsvraag geformuleerd, die specifiek is voor deze stad en tegelijk ook relevant is voor de overige Groeikernen. Het zijn achtereenvolgens: de kindvriendelijke wijk, het centrum en het groene netwerk.


Tekst hoofdessay: Michelle Provoost
Teksten verdiepende essays: Wouter Vanstiphout, Michelle Provoost, Thomas Kelderman
Vormgeving: Ewout Dorman
Kaart bevolkingstoename van de Groeikernen: Laura Thomas
Tekeningen van de Groeikernen in de toekomst: Yoshi So

Met dank aan: Stimuleringsfonds Creatieve Industrie




[1De meest bekende Groeikernen zijn Zoetermeer 125.000 inwoners; Almere 216.000; Spijkenisse 72.000; Capelle aan den IJssel 67.000; Nieuwegein 64.000; Houten 50.000; Purmerend 81.000; Duiven-Westervoort 40.000; Lelystad 80.000; Haarlemmermeer 158.000. Totaal: 953.000 inwoners.
Daarnaast werden ook de volgende steden aangewezen als Groeikern: Hoorn 73.000; Alkmaar 91.000; Helmond 92.000; Huizen 41.000; Etten-Leur 44.000; Heerhugowaard 59.000; Hellevoetsluis 40.000; Amersfoort 157.000. Totaal: 597.000 inwoners.
In totaal wonen in alle voormalige Groeikernen 1.550.000 mensen.

[2Joris van Casteren, Lelystad, Prometheus 2008

[3Pieter Jellema (1924-1995) was hoofd van de Dienst Publieke Werken van de overheidsinstantie Zuidelijke IJsselmeerpolders (ZIJP).

[4Team Ten was een internationaal verband van progressieve, jongere architecten die het sociale en de menselijke schaal centraal zetten.

[5Over de slechte kwaliteit van het onderwijs in Almere en de relatie met het feit dat Almere een New Town is: Achterblijvende_onderwijsresultaten_in_het_basison.pdf

[6Barzilay, Marcel, Ruben Ferwerda, Anita Blom, Experimentele woningbouw in Nederland 1968-1980: 64 gerealiseerde woonbeloften, Rotterdam 2020

[7Tony Weggemans, Saskia Poldervaart en Harrie Jansen (red.), Woongroepen. Individualiteit in groepsverband, Het Spectrum, 1985

[8Arnold Reijndorp, Lieke Bijlsma en Ivan Nio, Atlas Nieuwe Steden. De verstedelijking van de Groeikernen, Zeist: Trancity/Valiz i.s.m. International New Town Institute, 2012, p.325

[9Purmerend, Alkmaar en Hoorn werden zogenaamde ‘artikel 12’ gemeenten, die onder financiële curatele van de Rijksoverheid kwamen te staan. A. Faludi en A.J. van der Valk, De groeikernen als hoekstenen van de Nederlandse ruimtelijke planningsdoctrine, Van Gorcum, Assen/Maastricht 1990, p.123-125

[10Hans van der Cammen en Len de Klerk, Ruimtelijke ordening: van grachtengordel tot Vinex wijk, Het Spectrum, 2010.

[11Reijndorp, Arnold, Bijlsma, Lieke, & Nio, Ivan, Atlas Nieuwe Steden. De verstedelijking van de Groeikernen, Zeist: Trancity/Valiz i.s.m. International New Town Institute, 2012

[12Arnold Reijndorp, De nieuwe stad. Een gebruiksaanwijzing, Trancity, s.d.

[13Peter Louter en Pim van Eikeren, De staat van Zoetermeer, 2019

[14Hierin zijn drie verschillende koersen te onderscheiden, die varieren van behoud van het oorspronkelijke groene en suburbane karakter (Capelle a/d IJssel, Houten, Duiven-Westervoort), tot het groeien tot een complete, compacte stad (Hoofddorp en Helmond) tot de tussenweg die streeft naar de suburbane stad (Almere, Nissewaard, Zoetermeer, Nieuwegein, Purmerend en Lelystad).

[15Bernard Hulsman en Sam de Voogt, Hoe de overheid zelf de woningnood creëerde, NRC 18-19 april 2020, p.26-29

[16Prognose over het percentage alleenstaanden van CBS en PBL: www.volkskrant.nl